]GHN_Soeslo-01

Soeslo in 2011. (Foto Jan van de Weterink)

Aan de Heinoseweg binnen de gemeente Zwolle liggen twee buitenplaatsen die nogal wat met elkaar gemeen hebben: Boschwijk op nr. 11 en Soeslo op nr. 18.

De afstand tussen beide buitenplaatsen was rond 1800 een half uur gaans en bedraagt ongeveer drie kilometer.

Spijker

Beide buitenplaatsen zijn als spijker – in het dialect spieker – ontstaan.

Zwolse patriciërsfamilies verwierven van af het begin van de zeventiende eeuw grondbezit op het platteland.

Het gedorste graan en andere landbouwproducten werden geslagen in een spijker.

Het woord spijker is afgeleid van het Latijnse woord specarium (ín het Duits Speicher), wat letterlijk voorraadschuur betekent. In feite was het oorspronkelijk een ruimte waar graan en koren lagen opgeslagen, die namens de landheer werden bewaakt door een ‘spiekerman’.

Deze pachter woonde doorgaans in een kleine boerderij vlakbij het spijker.

Bij verschillende spijkers werden in de loop van de zeventiende eeuw aparte optrekjes in de vorm van

een (heren)kamer gebouwd, waar de eigenaar op zomerse dagen kon genieten van de rust van het

platteland. In de winter woonde hij in de stad.

Bij Boschwijk en Soeslo werden deze optrekjes zo rond respectievelijk 1770 en 1815 vervangen door

landhuizen. Bij Soeslo is het oude spijker achter het grote huis blijven staan.

Een andere overeenkomst tussen beide buitenplaatsen betreft de eigenaren. Soeslo was al vanaf het begin van de achttiende eeuw in het bezit van de familie Roijer, die stevig op het pluche zat in het Zwolse stadhuis. Dat gold ook voor de opeenvolgende eigenaren van Boschwijk, zoals leden van de familie Ridder en Spaar. In 1781 erfde de bekende dichter Rhijnvis Feith Boschwijk van Egbert Spaar, een neef van zijn moeder. Roijer en Feith kenden elkaar en kwamen bij elkaar over de vloer.

GHN_Soeslo-02

Boschwijk in 2007. (Foto Aart Everaarts)

Het familiewapen van  de familie Roijer. In zil- ver een rode dwarsbalk, beladen met drie naast elkaar geplaatst e zilve - ren wijnroeien en ver- gezeld van drie groene klaverbladen. Helmte- ken: een zilveren zwaan met opgeheven vlucht. Dekkleden: zilver en rood. (Uit: Repertorium Familiewapens) Het familiewapen van de familie Roijer.

In zilver een rode dwarsbalk, beladen met drie naast elkaar geplaatst e zilveren wijnroeien en vergezeld van drie groene klaverbladen. Helmte- ken: een zilveren zwaan met opgeheven vlucht. Dekkleden: zilver en rood. (Uit: Repertorium Familiewapens)

Of dat met de huidige bewoners ook zo is, weet ik niet. In ieder geval kunnen ze elkaar wel tegenkomen in de vergadering van hun belangen-

organisatie, de Stichting tot behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen.

Het familiewapen van  de familie Roijer. In zil- ver een rode dwarsbalk, beladen met drie naast elkaar geplaatst e zilve - ren wijnroeien en ver- gezeld van drie groene klaverbladen. Helmte- ken: een zilveren zwaan met opgeheven vlucht. Dekkleden: zilver en rood. (Uit: Repertorium Familiewapens)

Rhijnvis Feith, 1753 – (Collectie Stede- lijkMuseum Zwolle)

Beide buitenplaatsen kwamen in de vorige eeuw in het bezit van de gemeente. Boschwijk werd in 1949 aangekocht door de gemeente Zwollerkerspel en ingericht als burgemeesterswoning en raadszaal. Soeslo kwam in 1965 in handen van de gemeente Zwolle. Aan het eind van de vorige eeuw werden beide buitenplaatsen weer verkocht, onder restauratieplicht voor de nieuwe eigenaar.

Bert Kiekebelt heeft daarop Boschwijk in oude luister hersteld, Nol Hony heeft van Soeslo weer een prachtig monument gemaakt. Ook de tuinen en het parkachtige landschap bij de buitenplaatsen hebben een metamorfose ondergaan en stralen weer in oude schoonheid.

George Roijer en Rhijnvis Feith

De aanleiding tot dit artikel is de vondst van een gedicht van Rhijnvis Feith, dat hieronder staat afgedrukt.

Jarenlang lag het verborgen in de bibliotheek van het HCO, maar onlangs kwam ik het weer tegen. Zoals gemeld was de familie Roijer sinds het begin van de achttiende eeuw eigenaar van Soeslo. Op 19 april 1815 werd door de bijna tweejarige Derk Roijer,l de oudste kleinzoon

van George Roijer, de eerste steen gelegd voor het landhuis. Soeslo kreeg toen het aanzicht zoals we het nu nog kennen.

GHN_Soeslo-05

Aantekening van Georg Roijer op de achterkant van het gedicht van Feith: ‘Gedicht van Mr. R. Feith in juni 1816 op Soesloe gereciteerd, bij gelegenheid dat het Donderdagsche gezelschap voor het eerst in ons nieuwe huis bij een was”

(Colectie HCO)

George Roijer leefde van 1747 toÍ 1839 en was getrouwd met Gerridina Wicherlink. Na zijn rechtenstudie in Utrecht vestigde hij zich in Zwolle als advocaat.

In 1783 werd hij benoemd tot stads-secretaris. In het Zwolse stadsarchief zijn vele akten en resoluties in zijn kenmerkende handschrift bewaard gebleven. Vervolgens was hij werkzaam als secretaris-generaal bij het departementaal bestuur van Overijssel. Na twee jaar gedeputeerde van Overijssel geweest te zijn, werd hij in 1815 benoemd tot president van de Rechtbank van eersten aanleg, een functie die hij tot vlak voor zijn dood bekleedde, ‘wanneer alleen eene hardhoorigheid hem te rade deed worden om zich daaraan te onttrekken.’

Roijer heeft in zijn lange leven heel wat meegemaakt. Hij zag het levenslicht ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden toen Willem IV erfstadhouder was, maakte de Franse Revolutie en de dictatuur van Napoleon mee en sloot zijn ogen toen diens kleinzoon Willem I al weer jaren ‘souverein vorst’ was. Hij maakte mee hoe Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1740-1784) de aanzet gaf tot revolutionaire veranderingen en hoe Johan Rudolf Thorbecke ( 1798- l 872) bezig was met het tot stand te brengen van allerlei staatkundige vernieuwingen.

Roijer zal deze beide mannen ongetwijfeld persoonlijk gekend hebben.

Voor Rhijnvis Feith geldt wat het tijdsgewricht betreft bijna hetzelfde. Hij werd geboren in Zwolle en leefde van 1753-1824. Na zijn studie rechten in Leiden werd hij in Zwolle benoemd tot ontvanger bij de belastingen. Politiek gezien was hij patriot, toonde zich een goed democraat en werd benoemd tot burgemeester. Na de Pruisische interventie in 1787 was hij verbitterd en nam zich voor om zich nooit meer met staatszaken bezig te houden. Feith trok zich terug in zijn huis, zomers op Boschwijk en ‘s winters in de Bloemendalstraat. Hij wijdde zijn verdere leven aan de poëzie en wordt nu gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van het sentimentalisme.

Zijn bekendste gedicht is Uren, dagen, maanden, jaren,vlieden als een schaduw heen…

Tijdens zijn leven was hij de’prins der dichters’en vormde het middelpunt van een artistieke en intellectuele kring. Zowel Roijer als Feith waren ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Gedicht voor Soeslo

Het gedicht dat hieronder volgt heeft Feith geschreven toen hij in juni 1816 op bezoek ging bij George Roijer. Voor zover ik weet is het nooit eerder gepubliceerd.

GHN_Soeslo-06 Het gedicht dat Rhijnvis Feith in juni 1816 op Soeslo reciteerde. (Collectie HCO)

Het werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw aan het gemeentearchief Zwolle geschonken door de heer Van Nes van Meerkerk uit ‘t Harde.

Soeslo en daarmee het gedicht zijn in het bezit gekomen van die familie door het huwelijk in 1848 van de kleindochter van George Roijer met mr. Jacob Evert van Nes van Meerkerk.

In het voor hem zo kenmerkende handschrift heeft Georg Roijer op de achterkant genoteerd:

‘Gedicht van Mr. R. Feith in Junii 1816 op Soesloe gereciteerd bij gelegenheid dat het Donderdagsche gezelschap voor het eerst in ons nieuwe huis bij een was.’

Het gedicht is , vergelijkbaar met andere gedichten, onmiskenbaar door Rhijnvis Feith zelf geschreven.

Hij las het zelf voor op Soeslo.

In het gedicht word Soeslo aangeduid als (‘t) ‘Soersel’, een benaming, die we ook wel in andere stukken aantreffen. Uit het gedicht blijkt dat Soeslo net nieuw gebouwd is. Er is sprake van de ‘wijding’van de woning en van uw schepping’, een dichterlijke benaming voor de nieuwbouw.

Over het donderdagse gezelschap is mij niets bekend. Van Feith weten we wel dat hij lid was van het genootschap ‘Nooit is de vriendschap meerder waard, dan als zy’t nut en ‘t zoete paart’.

Of deze twee genootschappen identiek waren, weet ik niet. Het donderdagse gezelschap zal een van de vele gezelligheidsclubjes zijn geweest van gegoede heren, die in dit geval elkaar blijkbaar op donderdag ontmoetten. Wellicht een idee voor de huidige bewoners van Boschwijk en Soeslo om deze traditie in ere te herstellen.

Nu het gedicht dat Rhijnvis Feith in juni 1816 op Soeslo reciteerde:

Na’t vriendelijkst onthaal ter wijding dezer woning,

zij, brave Roijer, U dees heildronk toebereid.

Ontvang uit éénen mond onze aller dankbetoning

bij onzen hartenwensch yoor Soersels zaligheid.

Geniet nog jaren met uw gade en kindren tevens,

zoo vaak de lieve lente U naar dees woning wenkt,

bij ongestoorde rust, er al de vreugd des levens,

die immer ’t zalig land aan zijn bewoners schenkt.

Zie nog uw schepping in haar volle schoonheid bloeijen,

en pluk nog menigmaal een bloem van ‘t wreemd plantsoen.

Zoo moge uw ouderdom hier zachtskens henen vloeijen,

en vol van ‘t zoetst genot, ten vreedzame einde spoên!

Komt, eedle vriendenrei! het glas omhoog geheven,

dat elk onze aller vriend dees’ dronk ten heilwensch biê!

en’ t Soersel ons dan steeds, als heden, vrolijk zie !

* spoên = spoeden,

biê = biede/biedt


Noten

1 Derk Roijerwerd op 5 mei 1B13 te Zwolle geboren als zoon van mr. Willem Henrik Roijer, notaris en advocaat, en Bonne Elisabeth barones Bentinck.

Derk Roijer, 22 jaar oud, is op 27 juni 1835 te Zwol1e overleden.

Hij studeerde rechten in Leiden. Zijn moeder Bonne Elisabeth was a1 in 1822 overleden.

Willem HenrikRoijer hertrouwde in 1826 met Gerharda Ditmara barones van Pallandt.

Op het wapen van de familie Roijer zien we drie naast elkaar geplaatste wijnroeien en drie groene

klaverbladen. Een wijnroei is een peilstok waarmee de hoeveelheid wijn in een vat kon worden geme-

ten. Een van de vroegst bekende Roijers in Zwolle was van beroep wijnkoper.

  1. Het origineel is te vinden in de bibliotheek van het HCO onder nummer 5A 21616

 (Bron Zwols Historisch Tijdschrift nummer 1 van 2011)