9. Katholieken in de verdrukking

Een in het dagelijks leven veel ingrijpender verandering was het feit dat het hervormde geloof, dat op veel ondersteuning van de nieuwe overheid kon rekenen, op kerkelijk gebied allesoverheersend werd. Andere gezindten en met name de rooms-katholieken, werd het onmogelijk gemaakt hun godsdienst in het openbaar uit te oefenen. Aangezien ze ook geen openbare ambten mochten bekleden, werden ze in feite behandeld als tweederangsburgers. Vanaf het einde van de 16 de eeuw zal het protestantisme ook in het schoutambt Zwolle langzaam maar zeker meer aanhangers hebben verworven. Uiteindelijk zou een grote meerderheid van de bewoners van Zwollerkerspel lid worden van de hervormde kerk. Opmerkelijk genoeg bleven in Wijthmen, net als in Zalne en Herfte, veruit de meeste ingezetenen trouw aan het katholieke geloof van de Moederkerk. Dat zal vooral to danken zijn geweest aan de ambulante zielzorg van clandestiene priesters, die door welgestelde, rooms gebleven families werden geholpen. Zij boden bescherming en onderdak aan de priesters die zich heimelijk in de omgeving ophielden en op verschillende plaatsen de mis lazen.
Wijthmen viel onder de zeer uitgestrekte statie Dalfsen, die aanvankelijk beschikte over een schuilkerk in Broekhuizen, aan de overkant van de Vecht, waar men bescherming genoot van de katholieke bewoners van het adellijk huffs Rutenberg. Doordat de grote afstand naar de kerk voor veel mensen wet erg bezwaarlijk was, vonden vanaf circa 1690 ook diensten plaats in een boerderij in de buurschap Emmen in Dalfsen.

Op 16 juni 1700 werd de Zwollenaar Johannes Josephus Kattenbelt tot pastoor benoemd. Aangezien de Rutenberg in hervormde handen kwam, verplaatste hij de schuilkerk omstreeks 1710 naar Wijthmen. Zijn familie beschikte al over grond in de buurschap, waarop gemakkelijk een bedehuis en een woning voor de pastoor konden verrijzen. Een kroniekschrijver meldde dat Kattenbelt Wijthmen tot vestigingsplaats koos, omdat daar bijna geen ander als catholycken woonden alsoo hij nabij midden onder de geloovigen was van dit tijdstip af.’ Uit het register der huisluiden in het schoutampt van Zwolle, dat dateert uit het midden van de 18 de eeuw, blijkt dat zo’n 75% van de Wijthmeners rooms-katholiek was. Hoewel er geen tekeningen van bestaan, kunnen we ervan uitgaan dat het gebouw het uiterlijk van een boerenhuis of ‘kerkschure’ had. De schuilkerk bleef tot omstreeks 1770 in Wijthmen gevestigd. Omstreeks deze tijd liet een nieuwe pastoor, de uit Twente afkomstige Gerardus Michael Hampzinck, in het meer centraal gelegen Hoonhorst een nieuwe kerk en pastorie bouwen. In Wijthmen werden dus geen missen meer opgedragen. Het kerkhuis werd een kleine boerderij, die onder de inwoners bekend stond als het Thoonenhuus (op de kadasterkaart terug to vinden onder perceelnummer G 377). De inwoners van Wijthmen waren niet erg blij met de verplaatsing van de kerk. Als teken van protest gingen ze jarenlang in Zwolle naar de kerk, hoewel de weg naar de stad langer was dan naar Hoonhorst.