7. De economische structuur

Een aardige momentopname van de agrarische structuur van de plaatselijke gemeenschap wordt geboden door een in 1526 gehouden telling van de veestapel en de graanproductie in Zwollerkerspel. Van de in totaal 212 aangeslagen boeren en keuters in het schoutambt woonden er 25 in Wijthmen. Dit lage aantal was ongetwijfeld het gevolg van het krijgsgeweld van de hertog van Gelre dat in de laatste jaren Zwolle en Zwollerkerspel had overspoeld. In 1520 had men in Wijthmen nog 28 gezinshoofden geteld, van wie er zeventien als boer en elf als keuter waren aangeduid. Vrijwel alle boerderijen werden door de bewoners gepacht. Net als Zalne, Herfte, Berkum, Haerst en Langenholte lag de buurschap grotendeels op zandgrond, waardoor het gemengde landbouwbedrijf een andere structuur had dan de boerenerven op de rivierklei langs de IJssel. De verschillen blijken onder meet uit het gemiddelde aantal paarden dat men op stal had staan. De modale landbouwer op de rivierklei hield zeven volwassen paarden, terwijl op de zandgronden de meeste paardenbezitters vier of vijf paarden hadden. Een verklaring voor dit verschil is het gegeven dat de boeren op de zware kleigronden langs de IJssel veel trekdieren nodig hadden voor het bewerken van de grond. Op de lichtere zandgronden kon men daarentegen al met vier paarden een volwaardig boerenbedrijf voeren. Grote aantallen koeien werden in 1526 niet door de landbouwers op het zand gehouden. Ongeveer de helft van de boeren bezat slechts een tot vier koeien, terwijl de andere helft vijf tot negen koeien bezat. Slechts een enkele landbouwer had meer dan tien koeien op stal staan.

Ten aanzien van de akkerbouw bestond bijna 60% van de totale graanproductie uit haver, een goedkope graansoort, die bij uitstek geschikt was voor het voeden van de omvangrijke paardenstapel. Op de zandgronden was rogge duidelijk het tweede product, en als men afgaat op de waarde van de oogst zelfs het eerste gewas. De in de 19de eeuw gebruikelijke vruchtopvolging, rogge afgewisseld met een zomergewas (haver en zomergerst), lijkt destijds ook al gebruikelijk te zijn geweest. Van grote graanoverschotten was in Wijthmen geen sprake. Meer dan de helft van de huishoudens was voor het eigen levensonderhoud geheel of gedeeltelijk aangewezen op de Zwolse graanmarkt. Wellicht wisten ze deze uitgaven te compenseren door zelf vlees- en zuivelproducten te verkopen. Verder ligt het voor de hand dat veel kerspellieden niet­ agrarische bestaansbronnen aanboorden of zich als dagloners verhuurden. Zo schetst het belastingkohier van 1526 in veel opzichten het beeld van een relatief moderne plattelandssamenleving, die wordt gekenmerkt door een hoge mate van commercialisatie en waarin vrijwel alle huishoudens te maken hebben met marktverkeer en loonarbeid.

Bovendien onderstreept het register dat de rond Zwolle gelegen buurschappen nauw met het stedelijke reilen en zeilen waren vervlochten.

Een vergelijking met cijfers uit het begin van de 19de eeuw laat grote veranderingen zien. Zo was het aantal paarden drastisch verminderd. Door een verbetering van de ploeg en een sterker paardenras kon een boer op de zandgronden rond 1811 al met gemiddeld twee paarden volstaan. De veehouderij was daarentegen sterk gegroeid. Het gemiddeld aantal runderen per huishouden was met ongeveer 50% toegenomen. Ook de graanproductie was ingrijpend gewijzigd. Het aandeel van de relatief goedkope gewassen haver (en in mindere mate) gerst last een sterke dating zien, terwijl het belang van de dure gewassen rogge en tarwe juist was gestegen, wat wijst op intensivering van het grondgebruik. Verder valt de opkomst van boekweit op, die vooral op het zand de andere zomergewassen had verdrongen. Tenslotte werd in 1813 een geheel nieuw gewas, de aardappel, geteeld. Al met al was tussen 1526 en 1813 de productie van voedselgranen per huishouden dus sterk gestegen, terwijl de consumptie, door het gebruik van de aardappel, per huishouden moet zijn gedaald. Hierdoor was Zwollerkerspel in deze periode uitgegroeid tot een belangrijke netto-exporteur van voedselgranen, een verandering die de bewoners geen windeieren zal hebben gelegd.

De landbouw was in 1960 nog altijd de belangrijkste bestaansbron in Wijthmen. Volgens een overzicht van de beroepsstructuur werkte in dat jaar 47,6% van de beroepsbevolking (78 mensen) in de landbouw, 37,2% (61 mensen) in de nijverheid en 15,2% (25 mensen) in de dienstensector.