4. Buurtschap en marke

De oudste, kleinste en hechtste organisatorische eenheid op het platteland was de buurschap, een kleine gemeenschap van een aantal boerderijen. De bewoners, de buren, stonden elkaar bij. Iedereen maakte deel uit van de buurschap, of men nu pachter was of landeigenaar, keuter of grote boer. Aanvankelijk zal ook in Wijthmen de buurschap tal van lokale belangen hebben behartigd, zoals het onderhoud van wegen, bruggen, sloten en andere waterleidingen. Veel van deze taken werden in de loop van de Middeleeuwen door andere organisaties overgenomen. De belangrijke maatschappelijke rol van de buurschap, die tot uiting kwam in de naoberschap, de verplichting van de ingezetenen elkaar in door de gewoonte voorgeschreven omstandigheden to helpen, is evenwel tot ver in de moderne tijd blijven bestaan. In de Sociale kaart van de gemeente Zwollerkerspel uit 1965 wordt opgemerkt dat bij de agrarische bevolking de traditionele burenplichten nog altijd een rol spelen.

In de 13de eeuw wonnen met name de markegenootschappen, waarin de gerechtigden op de gemeenschappelijke, niet in cultuur gebrachte gronden zich verenigden, door de bevolkingstoename op het platteland sterk aan belang. De marken stelden onder meer regels op voor het gebruik van het onland, waardoor verdere ontginningen door nieuwkomers krachtdadig kon worden bestreden. De markegenoten noemden zich ook wel erfgenamen, goedsheren of gewaarden. De laatste benaming is ontleend aan de waardelen of waren, waarnaar de omvang van de rechten op het gebruik van de gemeenschappelijke gronden werd vastgesteld. In principe konden alleen de erfgenamen over deze gebruiksrechten beschikken. Dat betekende dat de mogelijkheid om nieuwe bedrijven te stichten sterk werd beperkt.

De kleine boeren die geen rechten hadden op het gebruik van de gemeenschappelijke markegronden werden aangeduid als katers, kotters of keuters. Deze benaming is ontleend aan het woord kot, oftewel hut, wat genoeg zegt over hun oorspronkelijke behuizingen, die ook wel katersteden werden genoemd. Keuters waren afkomstig van de oude erven, die vaak niet gesplitst mochten worden. Deze mensen brachten kleine stukjes land in de woeste gronden in cultuur.

Ons gebied ingedeeld in marken, laatste officiële markevergadering was in 1877, niet veel later werd de marke ontbonden

Ons gebied ingedeeld in marken, laatste officiële markevergadering was in 1877, niet veel later werd de marke ontbonden

Het oudste markeboek van Wijthmen begint in 1502, toen de erfgenamen op Sunte Margaretenavent een vergadering hielden in het Zwolse stadswijnhuis in de Sassenstraat. Uit de lijst van aanwezigen blijkt dat geestelijke instellingen een grote vinger in de pap hadden. Aanwezig waren onder meer de prior van het Agnietenbergklooster, de ambtman van het stilt Essen en vertegenwoordigers van het Heilige Geestgasthuis in Zwolle en het Deventer kapittel. De andere erfgenamen waren voornamelijk stadsbestuurders en andere vooraanstaande ingezetenen van Zwolle en het omringende platteland, zoals Rorick van Uterwick, Jacob van Ittersum, Jacob van Witmen, Alert Brouwer, Arent Mulert, Jacob ten Water, Arent van Keppel en Jacob ten Busch. Zwollenaren bezaten veel grond in de omgeving, omdat onroerend goed werd gezien als de meest solide vorm van kapitaalsinvestering en bovendien statusverhogend werkte. Tijdens deze bijeenkomst werd ook het aantal waren van de marke vastgesteld. Er werden 22 waartallen geteld, die redelijk gelijkmatig onder de aanwezigen waren verdeeld.

De leiding van de marke was in handen van een drietal door de erfgenamen gekozen gezworenen, van wie een als voorzitter oftewel dijkgraaf fungeerde. Dat in deze tijd al van dijkgraaf en niet van markerichter (de gebruikelijke term voor de voorzitter van een marke) wordt gesproken, geeft aan dat de marke Wijthmen zich vooral bezighield met waterstaatkundige zaken als het onderhoud van weteringen en dijken. Bescherming tegen hoge waterstanden en grootschalige overstromingen was immers essentieel voor het boerenbedrijf. Desalniettemin kreeg Wijthmen geregeld to maken met wateroverlast. Een spoor hiervan is onder meer terug to vinden op de kadasterkaart van 1832, waar we op de Wijthmeneres een erve met de veelzeggende naam Kolks (G 388) aantreffen. In de buurt van deze boerderij is inderdaad een forse kolk to vinden, die tijdens een overstroming moet zijn ontstaan. Pas in de loop van de 20Se eeuw werd de waterbeheersing door het verbreden van de weteringen en het invoeren van bemalingen ingrijpend verbeterd.