17. Wandelen rond Wijthmen omstreeks 1900

Hoe het landschap er ongeveer een eeuw geleden uitzag, komt naar voren in de volgende beschrijvingen, die zijn ontleend aan: C.W. van der Pot, Zwol/e’s omgeving omstreeks 1900 (Zwolle z.j.):

 Wandeling vanuit Zwolle over de straatweg naarAlmelo (nu de N35).

De beschrijving begint bij de aan de straatweg gelegen herberg De Zon: “Ongeveer tegenover de Zon begon vroeger de lange oprijlaan van het buiten Veldwijk, maar daarvan was omstreeks 1900 niets meer over dan een verwilderd bosje. Vervolgde men de straatweg, dan kwam men al spoedig aan een stuk zonder bomen, dat haast onmerkbaar enigszins steeg. Hier was men op de zandgrond. Rechts lag een heuvelachtig terrein met eikenhakhout begroeid, waar aardige paadjes doorheen slingerden en een rieten koepeltje een ogenblik rust vergunde met uitzicht op de lage weilanden ter weerszijden van de Wetering. Langs een laan van zware beuken, die door een poort van bijzonder fraaie berken in een eenvoudige landweg verliep, kom men vanhier het landgoed Soeslo, ook wet onder de naam Soesselo, Soesel of Soerselo voorkomend, bereiken, maar eveneens vanaf een verder punt van de straatweg leidde een weg naar het vierkante herenhuis met het front naar Zwolle gekeerd, waarvan de eerste steen op 19 april 1815 […] door Derk Royer werd gelegd.

De huizen van de buurschap Wijthmen lagen grotendeels aan de andere zijde van de straatweg. Volgde men deze dan kwam men langs de herberg De Mol, welks uithangbord een afbeelding van dit nuttige dier vertoonde met het onderschrift “al wroetende komt men er door”. Nog vijf minuten verder bereikte men het punt, vanwaar de oude weg naar Twenthe zijn karakter van slingerende zandweg nog behouden had, maar de straatweg, weer met bomen beplant, in een lijnrecht einde van een half uur gaans op de Ganzenpannenbrug aanliep. Tot 1900 werd ook hier tol geheven.”

Wandeling vanuit Herfte naar Wijthmen (over de huidige Erfgenamenweg):

“Even voorbij het voormalige Valkenberg tiepen vanouds twee zandruggen ongeveer een half uur gaans in zuidoostelijke richting, tot waar zij zich verenigden in de Wythmeres. Op de noordelijkste lagen de meeste huizen van Herfte [= nu de Herfterlaan]… Aantrekkelijker nog dan de weg, die over de noordelijkste der beide zandruggen liep, was de Wythmerweg over de zuidelijke rug tangs het Erfgenamenbos en de twee heuvels, waar sours een fazant opvloog uit het hout en menig haasje wegstoof, verschrikt door het verstoren van de eenzaamheid. Van die heuvels had men een prachtig uitzicht. Aan de ene zijde keek men over de rieten daken en eikebosjes van Herfte naar een grote vlakte met de Dalfser bossen op de achtergrond, waar het spitse torentje van de Hoonhorster kerk juist bovenuit kwam; aan de andere kant zag men de Zwolse torens half verscholen tussen het groen rechts van Selhorst, links van Boschwijk, van welks huffs de gehele achtergevel zich vertoonde. De weg liep door tot aan de Poppenallee bij de Wythmer school. Was men eerder een zijweg naar rechts ingeslagen, dan kwam men op het terrein van het reeds genoemde vroegere buitengoed Veldwijk.”

Wandeling vanaf de Almelose straatweg naar Dalfsen (over de huidige Kroesenallee):

“We beginnen de beschrijving van deze weg naar Dalfsen op het punt waar hij de straatweg verliet, d.w.z. in de reeds in 1207 genoemde buurtschap Wythmen. De strook hogere zandgrond, waarop Herfte en het Erfgenamenbos lagen, naderde hier de straatweg en vertoonde zich zelfs over korte afstand ook aan de overzijde daarvan. Zij was echter slechts smal, want nauwelijks was men de school voorbij, of de weg liep lets naar beneden en men beyond zich weder in een groene vlakte. […] Het eerste gedeelte van de weg, dat boomloos en daardoor weinig aantrekkelijk was, droeg de naam van Kroesenallee, vermoedelijk naar een aan het begin

gelegen erf, dat tot circa 1870 onder Soeslo behoord had, alwaar de familie Crouse had gewoond. De bewoner van het erf werd de Kroesenboer genoemd. Verderop passeerde men de Grote Tochtsloot over de Poppenbrug, blijkbaar naar de familie Poppe, die daar op Heuveldink woonde, waarvan het lage witte huffs in het begin dezer eeuw werd afgebroken. Hier werd de weg door eikebomen beschaduwd en voerde hij uit de weilanden weder te midden van een landschap, dat in zijn toon aan een gans andere streek en bodem denken deed. Die snelle afwisseling in het landschap, een der grootste bekoringen van Zwolle’s toenmalige omgeving, was hier al zeer opvallend.”