12. Grootgrondbezit en de marke

De bezitters van de buitenplaatsen oefenden in de 18 d’ eeuw een grote invloed uit op het reilen en zeilen van de lokale gemeenschap. Zo bezaten de families Royer en Van Grootveld omstreeks 1740 de meeste grond in Wijthmen. De eigendommen van de familie Royer concentreerden zich vooral rond Soeslo, maar de familie Van Grootveld had overal in de buurschap bezittingen. Zo blijkt uit het register van de verponding (een grondbelasting) uit 1737 dat van de in totaal circa 608 hectare landbouwland niet minder dan zo’n 276 ha., ruim 45%, toebehoorde aan leden van de familie Van Grootveld. De familie Royer moest het doen met circa 82 ha. Ook de andere grondbezitters waren nog altijd voornamelijk

afkomstig uit de stedelijke elite. Daarnaast bezaten Zwolse instellingen als het kantoor van de Geestelijke Goederen, die alle na de Reformatie geconfisqueerde bezittingen van de katholieke kerk ad pios usus (voor devoot gebruik) administreerde, het weeshuis en de armenkamer goederen in Wijthmen. Lokale bewoners bezaten slechts een klein deel van het landbouwareaal. Dit beeld wordt bevestigd door het vuurstedenregister van 1751, waaruit valt of to leiden dat de Van Grootvelds maar liefst elf van de 28 geregistreerde boerderijen bezaten. Slechts twee boeren, Jan Meijer en Seine Berends, werden vermeld als `selfs eigenaar’.

De prominente positie van de eigenaars van de buitenplaatsen is ook terug to vinden in het markebestuur. In de 18 d’ eeuw werd de positie van markerichter of dijkgraaf aanvankelijk afgewisseld tussen leden van de families Van Grootveld en Royer. In een later stadium, toen de familie Van Grootveld uit beeld verdwenen was, werd deze leidinggevende functie exclusief door de familie Royer bekleed. Waterstaatkundige zaken waren nog altijd de belangrijkste verantwoordelijkheid van de erfgenamen, die traditiegetrouw elkaar meestal in het Zwolse stadswijnhuis troffen. In het markeboek is geregeld sprake van de reparatie van sluizen en dijken, waarbij de werkzaamheden door de Wijthmener boeren tegen betaling in geld en natura werden verricht. In ruil voor hun inzet kregen de `huislieden’ onder meer een jaarlijks bedrag van 5 gulden uitgekeerd, dat was bedoeld om gezamenlijk te verteren.