11. Buitenplaatsen

In de 17 de en 18 de eeuw bevond zich in Wijthmen ook een aantal spijkers oftewel buitenhuizen, die net als in andere buurschappen door vermogende burgers uit Zwolle naast een van hun pachtboerderijen werden gesticht. In het vu u rsteden register van 1675 komen we twee spijkers tegen, die er vermoedelijk nog niet lang stonden. Het goed Soeslo was in 1625 in handen gekomen van burgemeester Hendrik Crouse, die namens Zwolle tevens zitting had in het provinciaal bestuur. In 1658 verwierf dr. Willem Royer door zijn huwelijk met een dochter van Crouse een deel van het goed. De hervormde familie Royer was een gerenommeerd Zwols geslacht, waarvan de leden geregeld deel uitmaakten van het stadsbestuur. De andere helft van Soeslo was ondertussen eigendom geworden van de rooms-katholieke gebroeders Everhardus en Otto Vos, die onder meer uitgebreide bezittingen hadden in Ancum onder Dalfsen. In 1706 slaagde dr. Hendrik Royer, eveneens burgermeester van Zwolle, er in ook de aan de familie Vos toebehorende helft van Soeslo to verwerven, zodat het oorspronkelijke bezit weer hersteld was. De leenhorigheid aan het stift Essen werd in mei 1796 afgekocht voor 200 goudgulden. Twintig jaar later werd het oorspronkelijke spijker vervangen door het huidige huffs. De buitenplaats bleef tot 1868 in handen van de familie Royer. Vervolgens kwam het via een huwelijk met een erfdochter in het bezit van mr. Jacob Evert van Nes van Meerkerk, lid van de arrondissementsrechtbank to Zwolle. Zijn nakomelingen zouden het landgoed met de onderhorige landerijen en boerderijen ruim honderd jaar beheren. Soeslo werd in 1964 aan de gemeente Zwolle verkocht, die het landgoed verhuurde. Het herenhuis werd in de jaren 1980-1983 ingrijpend gerestaureerd. In de jaren 1983-1992 was er een Gereformeerd Vormingsinstituut gevestigd. Inmiddels is het weer particulier bezit.

Het andere spijker dat in 1675 werd vermeld, was eigendom van de rooms-katholieke familie Van Delden. De buitenplaats, die in de 18 de eeuw de naam Veldwijk kreeg, kwam door zijn huwelijk in november 1705 met Johanna van Delden in handen van de de rooms-katholieke advocaat Willem van Grootveld. Op grond van zijn geloof mocht hij geen deel uitmaken van het stadsbestuur, maar als geslaagd zakenman verwierf hij een groot fortuin. Na zijn dood bleek geen van zijn kinderen belangstelling te hebben voor Veldwijk, waarna de buitenplaats op 30 april 1763 voor 13.900 gulden aan de doopsgezinde Isaak Paschen werd verkocht. In de verkoopakte was sprake van een `buitenplaats met de behuisinge, hof en boomgaert, met sijn plantagien in een gragt besloten, vorders sterrebos, allees van eijken, beuken en andere boomen, speciael mede die voorlangs de Twentse weg en dijk aldaer, eijkenheggenholt, elshold en twijgwaerd’. Veldwijk werd omstreeks 1787 geerfd door Isaaks ongehuwde dochter Elisabeth Paschen, die tot haar dood op 16 februari 1834 de eigenaar bleef. De nieuwe bezitter, Otto Maximiliaan Theodorus Adolphus baron van Hugenpoth tot Aerdt, verkocht het landgoed in maart 1843 door aan de rijke wijnhandelaar Nicolaas Pruimers, die er slechts 4.900 gulden voor betaalde. Het buiten werd destijds omschreven als: ‘Een modern heerenhuis, geschikt voor zomer- en winterverblijf, werkbaaswoning, schuur en verdere gebouwen, hoven met exquise vruchtboomen, bosschen, lanen en verdere plantagien, beste bouw-, weide- en hooilanden’. De dagen van het landgoed waren echter inmiddels geteld. Twaalf jaar later werd het gekocht door de landbouwer Gerrit Jan Langevoort, die het buitenhuis liet vervangen door een boerderij.

De derde buitenplaats in Wijthmen, de Hersevoort, moet omstreeks 1740 bij de gelijknamige boerderij zijn aangelegd door de oudste zoon van Willem van Grootveld, Bernardus van Grootveld. Hij vermaakte het goed, dat in zijn testament werd omschreven als `ons spijker, met het erve vanouds den Hersevoort genaamd, en de keuterplaats of hoveniershuis daarbij gelegen, met alle zijn plantagie, hoven, hoge en lage landerijen’, aan zijn broer Willem Hendrik van Grootveld. Willem verkocht het vervolgens in September 1783 voor 13.000 gulden aan Jacobus Schoemaker. Hij verwierf ‘een buitenplaats de Hersevoort met ‘t huis of spijker, schuur, hof, visvijvers, sterrebos, allees en verdere plantagie…’ Jacobus moest ook nog eens 275 gulden betalen voor de meubels en de `tuinsieraden’. Na het overlijden van Schoemaker verkocht zijn weduwe de buitenplaats in 1805 aan de Wijthmener landbouwer Derk Jan Brinkman, die het buiten aanvankelijk lijkt te hebben verhuurd.

In ieder geval verscheen in de Zwolsche Courant van woensdag 27 februari 1805 de volgende advertentie, die ook een aardig beeld van het huis en landgoed geeft: ‘Te huur met primo may 1805, een zeer aangenaam buitenverblijf, een uur van de stad Zwolle, in de boerschap Wiethem, van ouds genaamt het Hassevoort,voorzien van drie benedenkamers, ruime gang, keuken en kelder, twee bovenvertrekken met slaapsteeden en verdere gemakken, stallingen voor wagen en vier paarden, een schoone hof, waarin allerbeste vrugtbomen, benevens zeer grote visvijvers, en een schoone kamp beste weijdeland daarbij gelegen’. In de daaropvolgende jaren moet het spijker zijn gesloopt, want bij de volgende verkoop in april 1829 was alleen nog maar sprake van ‘een boeren erve de Hassevoord genaamd…’ Op de Hottingerkaart zijn de tuinen die deze buitenplaatsen omringden prachtig te zien.