10. De bewoners in de 17e en 18e eeuw

Op demografisch gebied deden zich in de 17 de en 18 de eeuw geen grote veranderingen voor. Volgens het vuur- of haardstedenregister van 1675, een belasting op het aantal plaatsen in een huffs waar een vuur kon worden gestookt, stonden er in de buurschap Wijthmen in totaal 28 huizen, waaronder twee spijkers of buitenplaatsen. Slechts een boerderij had de beschikking over twee haardplaatsen in huffs, alle andere boerderijen moesten het met slechts een vuurplaats doen. Wel hadden twaalf boerderijen de beschikking over een oven buiten het huffs. Deze bevonden zich ongetwijfeld in bakhuizen op de erven, waar onder meer brood kon worden gebakken. In vergelijking met het schattingsregister van circa 1400 is het opvallend dat vrijwel geen enkele boer meer met een boerderijnaam werd aangeduid. Als `achternaam’ werd nu voornamelijk gebruik gemaakt van patroniemen (de voornaam van de vader.) Zo komen we onder andere Remmelt Jacobs, Willem Teunissen, Hannes Herms, Dries Jansen, Derk Willems, Lucas Roelofs, Klaes Lubberts en Willem Gerrits tegen. Het

aannemen van een vaste familienaam, die van generatie op generatie wordt overdragen, werd in Nederland pas verplicht in 1811, toen de burgerlijke stand werd ingevoerd.

Volgens de volkstelling van 1748 telde Wijthmen 31 huishoudens met in totaal 179 mensen. Het gemiddelde huishouden bestond dus uit 5,77 personen. De bevolking was samengesteld uit 58 mannen en vrouwen, 43 kinderen boven de tien jaar, 39 kinderen beneden de tien jaar, 28 knechten en meiden en 11 kostgangers. In 1795, toen er opnieuw een volkstelling werd gehouden, was het aantal huishoudens gestegen tot 35. Het aantal inwoners was toegenomen tot 225, zodat er nu gemiddeld 6,43 mensen per huffs aanwezig waren.

In de volkstelling van 1795 werd ook het beroep van elk gezinshoofd genoteerd. Negentien mensen werden als boer aangeduid, zes als daghuurder en zes als ambachtsman. Bij de laatste categorie zal het vooral zijn gegaan om mensen die een ambacht combineerden met het boerenbedrijf. Mannes Egthuis en Lambert Wolsink komen we tegen als ‘baas timmerman’, Gerrit Rhijntjes als `baas schoenmaker’, Gerrit Jan Heupink als ‘baas kleermaker’, Berent Fakkert als ‘baas metselaar’ en Hendrik Vrede als `baas wever’. Verder staan er nog drie hoveniers (werkzaam op de drie buitenplaatsen), een oud-burgemeester (de Zwolse stadsbestuurder Willem Royer op Soeslo) en een schoolmeester opgetekend. De aanwezigheid van deze Hendrik Brinkert vormt de neerslag van het felt dat Wijthmen vanaf circa 1740 de beschikking had over een eigen lagere school. De school was net als een drietal andere ‘bijscholen’ in het kerspel in het leven geroepen voor leerlingen die to ver van Zwolle woonden. De eerste schoolmeester was vermoedelijk Wessel Hagedoorn, die in mei 1742 vanuit Zwolle in Wijthmen kwam wonen. De schoolmeester werd benoemd door het markebestuur. Een ‘echt’ schoolgebouw was er in de 18 de eeuw nog niet in de buurschap. De lessen werden waarschijnlijk gegeven in een boerenschuur.